dinsdag 26 juni 2012

Een goed gevulde week: The Red Centre, Coober Pedy en Adelaide

Tegen dat Bert en ik met ons gehoorzame gevolg aankwamen op onze rustplaats in Yulara, een kunstmatig dorpje op een tiental kilometer van Uluru en Kata Tjuta, was het net/al donker geworden. Net te laat om zonsondergang bij de machtige monoliet te aanschouwen en dus zat er niet veel anders op dan eten te maken. Gelukkig hadden we ook dat voorzien, en konden we meteen aan de slag. Meteen, daarmee bedoel ik zodra we de frigobox uit onze schoendoos hadden opgegraven. Aussie BBQ, here we come!

Na het bakken en braden, werd er wel van ons verwacht dat we de BBQ proper maakten. Terwijl het besef kwam dat we dat niét voorzien hadden, schoot een vrouw te hulp. Haar strategie omhelsde echter niet veel meer dan met een papieren zakdoekje (ja, inderdaad) te "schuren" over het kookoppervlak tot het weer blonk, enkel geholpen door wat dreft en kokend water. Bert slaagde er echter in om op deze manier enorme toxische dampen te produceren onder het afdak, waarop de vrouw zei dat ze het zelf wel zou doen en dat wij ons vlees vooral niet koud mochten laten worden. Zo gezegd, zo gedaan, ahja! Tijd om onze smakelijke hoop vlees met pastasalade en brood aan onze kop in te knallen! Gelukkig konden we daarvoor terecht in de comfy mobilhome met de drie reisgezellen uit Darwin er nog in. Zij wilden ook graag Ayers Rock zien en dus waren we samen gereden. Oh ja, terwijl we achter hen reden in onze getunede driewieler, knalde er nog een ietwat besluiteloze adelaar tegen de rechtervoorkant van de mobilhome te pletter. Heel jammer, want beide partijen hadden de klap gemakkelijk kunnen vermijden...

Slapen in de auto was ei zo na pure horror. Het is eigenlijk niet uit te leggen hoe krap het was en hoe het uiteindelijk ging, maar het kwam er op neer dat de achterbank eruit gehaald was en dat er dan plaats was achter de voorzetels voor 2 kleine personen om gestrekt naast elkaar te maffen. Gelukkig moesten we vroeg op - did I just say that? - om zonsopgang aan Ayers Rock te bekijken. Die zonsopgang was heel erg mooi, maar ik had meer kleurenschakeringen verwacht dan dat er te zien waren. Waarschijnlijk omwille van de heldere hemel. Desalniettemin was de aanblik van de monoliet een heel speciale gebeurtenis. Het is één van de iconen van Australië, één van de natuurwonderen die mij naar hier lokten, één van de meest unieke rariteiten ter wereld ook. Het is een heilige plek voor de Aboriginals uit de buurt en daarom wordt er gevraagd niet aan omhoog te klimmen. Bert en ik hebben wel geklommen, maar alleen voor een stukje, om de weg in het midden te houden. Zelfs van op een dertigtal meter hoogte was het uitzicht over de Outback immers al fenomenaal. Eenmaal terug beneden wandelden we nog een stuk rond de rots, maar daarna moesten Bert en ik alleen verder naar Kata Tjuta, een ander heiligdom, waar we zeker een stuk van de Valley of the Winds gingen bewandelen, tussen de rotsformatie door. Ook dat was een heel speciale belevenis omdat het windstil lijkt, maar opeens begint te waaien omdat de wind tussen de rotsen geforceerd wordt. In een soort afgesloten tuin tussen de rotsen beslisten we om te rusten en daarna terug te keren naar ons misbaksel dat ons diezelfde dag nog een 400-tal kilometer verderop naar Kings Canyon moest zien te rijden. Al die afstanden forceerden ons trouwens ons regelmatig om te tanken: aan 2,30 of 2,35 AUD per liter welteverstaan. De zeldzame tankstations hier in het absolute niets, weten wat te vragen voor hun zwarte goud... We waren goed op tijd bij Kings Canyon om te kunnen zien wat we de dag erna gingen doen. We waren na de stevige wandelingen en de lange rit niet in staat om nog iets anders te doen dan dat.

Nog een zalig korte nacht waarna we allebei niet minder dan euforisch waren dat we nooit nog in dat machien moesten slapen, reden we van de campground terug naar de ingang van Kings Canyon. Die 6 kilometer wandelen rondom de canyon zouden wij betweters wel even doen in 2u in plaats van de door de park rangers aangeraden 3,5u. Natuurlijk was niets minder waar, want het was geen meter vlak. Stijgen, dalen, rusten, foto's maken, trappen doen, yeah roepen en lachen om niks, zorgden ervoor dat we uiteindelijk de gelukkigste mensen in de canyon waren bij het zien van het bord "carpark: 1km". De wandeling was zonder enige twijfel de moeite waard, maar wij hadden de intensiteit ervan serieus onderschat. Toch zou de dag nog veel vermoeiender worden, want we moesten de auto nog afleveren bij de louche man in de louche winkel, en dat voor 4pm (16u), want dan ging zijn louche winkel dicht en zouden we waarschijnlijk de ochtend erna voor een leeg pand staan, zo louche leek het. Fabelachtig als wij zijn, brachten we de auto binnen om 3.58pm (15.58u) na de zoveelste rit van een 400-tal kilometer en een ommetje bij het autoverhuurbedrijf waar de mobilhome intussen stond.

Omdat alleen sociologen, psychologen en alcoholproducenten op hun gemak kunnen zijn in Alice Springs, vertrokken we de dag erna meteen met Greyhound richting Adelaide. Dat zou echter een busrit van 19 uur zijn en dus besloten we om een dag halt te houden in een mijndorpje on our way south: Coober Pedy! Het enige wat ik van dat dorpje wist, was dat er veel ondergronds gebeurde omwille van de verzengende temperaturen in de zomer, dat het een mijndorpje was en dat er een ondergronds hostel was. Dat leek ons wel speciaal genoeg om er eens rond te kijken tussen twee lange busritten door... De hosteleigenaar was de opvallendste en vriendelijkste mens die er bestaat. Hij had de baard van de kerstman, de hoed van Gandalf de tovenaar, de jas van een biker en de broek en schoenen van de New Kids. Hij zag eruit alsof hij al lang genoeg leefde om gerommeld te hebben met de maagd Maria. Hij leefde graag in het donker en stond altijd klaar in zijn receptie binnen exact drie seconden nadat we er binnenkwamen, met telkens dezelfde begroeting op telkens dezelfde toon, met telkens dezelfde zachte vriendelijkheid in zijn stem: "Hello there". We besloten een pizza te halen en we raakten opgezadeld met de grootste pizza ooit gezien: een halve meter diameter. We kregen met moeite de helft op, tot jolijt van sommige voorbijgangers.

De volgende dag zorgde Bert zijn impulsief aankoopgedrag ervoor dat we onszelf tot de avond gingen bezighouden in het midden van de Outback met... golfen. Maar dat had toch wat meer voeten in de aarde dan gedacht. Wisten wij veel dat we zo ver moesten wandelen door zand, stenen, autobanden en verlaten mijnsites dat we eigenlijk uitgedroogd waren vooraleer we daar aankwamen? Wisten wij veel dat we door de weg te proberen afsnijden ergens halfweg de tweede hole ineens opdaagden voor mensen die er aan het spelen waren en die zich ongetwijfeld afvroegen waar wij in godsnaam uitgekropen kwamen? Wisten wij veel dat we het begaaidste wedstrijdje golf ooit gingen spelen, met een green die zwart is en met in de verste verte geen grasspriet te zien? Aussie style outback golf. Benodigdheden: een vierkante decimeter kunstgras om onder het balletje te leggen voor elke slag, héél veel golfballen, véél water en een karretje met golfclubs, en inzien hoe legendarisch de situatie eigenlijk is.

's Avonds bracht de tovenaar ons met zijn busje naar de stopplaats van de Greyhound, 350 meter verderop. En elf uur later was het een koude ochtend in Adelaide, waar we de stad verkenden, incheckten, de stad verder verkenden en iets aten. Want in de bus slapen is en blijft vermoeiend! Gelukkig stond er nog iets unieks op het programma voor de volgende dag: een wijnproefuitstap door de befaamde wijnstreek van South Australia: de Barossa Valley. Wij, drie Chinezen, twee Australische oudjes en later twee Nieuw-Zeelandse oudjes, stopten bij verschillende wijnmakers om verschillende wijnen te proeven en zo de goede van de slechte wijn te leren onderscheiden, maar ook om een eigen smaakvoorkeur te ontwikkelen. De Chinezen kwamen zo ver niet; zij dreigden al om te vallen na de eerste stop. Het was wel verbazend hoe dezelfde druifsoort door verschillende wijnmakers tot een anders smakende wijn wordt verwerkt. Ik heb nu wel ongeveer een idee welke wijnsmaken ik wel kan pruimen - see what I did there? Vooral de sauvignon en de wijnen zonder eiksmaak liggen mij wel. De shiraz-wijnen vonden we allebei te zwaar omdat die telkens precies een plakkerig laagje legden op de tong. En één wijn bevatte zelfs een sterke chocoladesmaak. Lekker! Maar duur. We passeerden ook Jacob's Creek, waar de Australische massaproductiewijn wordt gemaakt en geëxporteerd naar onder andere België. En inderdaad, die wijn trekt op niet veel vergeleken met wat we geproefd hebben, maar de prijs is er dan ook naar...

Intussen hangt Bert weer ergens in de lucht, heb ik een uitstapje gemaakt naar het pittoreske dorpje Glenelg en rest mij alleen nog uit te zoeken hoe ik het best via het laatste vereiste to-do punt op mijn planning, the Great Ocean Road and the Twelve Apostles, terug in Melbourne geraak.

It's going fast these days...

Cheers!







zondag 24 juni 2012

The Northern Territory: water, fuel and a gun

- "Hi, can I get some quotes on rental cars for the Outback, please?"
° "Oh, mate, I wouldn't advise on doing that"
- "Why not, Darwin to Adelaide is a very common backpacker route"
° "No mate, it's remote. Remote! And abo's everywhere!"
- "Actually I have never heard of Aboriginals causing trouble alongside the Stuart Highway"
° "I'm telling you, you will need three things to travel the Outback. Plenty of water, plenty of fuel, and a gun. Do you have a gun?"
- "Even if I had one, I wouldn't try to bring it into Australia"
° "Well, just remember that those abo's are wild, savage and they will chase you. They will spear you! And you may as well never be found again..."

In Cairns hadden ze bij een autoverhuurbedrijf niet echt een hoge pet op van de oorspronkelijke Australische inwoners, de Aboriginals. Maar goed, ik moest en zou toch van Darwin tot in Alice Springs geraken :-)

In Darwin valt niet veel te beleven. Toch waren de hostels ei zo na volgeboekt toen ik er aan kwam: pas bij het vierde telefoontje kon ik een bed krijgen, het laatste van dat hostel. De ochtend daarna moest ik vroeg rondbellen en kon ik een kamer krijgen voor een paar nachten in het YHA. Het slechtste YHA tot nu toe, maar soit. Op dag 1 verkende ik de stad en had ik het merendeel gezien. Oorlogsmonumentjes, rondhangende Aboriginals, hostels en een gezellige waterfront zoals in Cairns en Brisbane, maar dan kleiner en in de haven ingebed - vuiler water dus. Maar omwille van de dagelijkse heldere hemel onder 30 graden, was er genoeg volk aanwezig. In de andere helft van het jaar, is het ook 30 graden, maar regent het volle bak en kennen ze er overstromingen, cyclonen en een heel hoge vochtigheidsgraad. Nu is het er dus de tijd van het jaar...

Dankzij een autoverhuurbedrijf kon ik gemakkelijk aan een relocation deal geraken. Dat is een deal waarbij een autoverhuurbedrijf een auto in een andere stad moet hebben, en om te vermijden dat ze daarvoor een chauffeur moeten betalen, verhuren ze die auto aan backpackers aan een relatief goedkope prijs - als ze op tijd aankomen met een auto die niet pertotal is. Reisgezellen om de kosten te delen, waren dan ook snel gevonden. Maar eerst: The Top End!

Met een Amerikaanse roommate en een Italiaan, vertrok ik al snel naar Kakadu National Park en Litchfield, de twee parels van het noorden van het Noordelijk Territorium. Goedkoop een auto huren, dachten we, maar uiteindelijk kon ons budget alleen een dwergauto aan. Kakadu was wel magisch. Een heel ruig gebied van zo'n 20000 km² als ik het goed heb - hoe groot was België ook weer? Bonkige rotsen, regenwoud, rotstekeningen, kliffen, moerasland... Het is moeilijk te beschrijven. Na zo'n 250 km rechtdoor rijden door absoluut niks, behalve een kantoortje waar we toegangskaarten moesten kopen, kwamen we in het eerste dorpje aan: Jabiru. Er woont een handvol mensen, iemand baat een tankstation uit, er staat een gsm-mast en voor de rest leeft iedereen van de nabije uraniummijn. Na Jabiru was het nog maar een korte rit van een half uur naar Ubirr, waar een prachtig uitzicht over een klein deel van het natuurlandschap klaar lag. Onderweg konden we niet naast de kleine aangestoken bosbrandjes kijken. Geen nood, Aboriginals die daar (mogen) wonen, doen dit al duizenden jaren om het land te onderhouden en ze mogen dit. Riskant wel, zo vonden wij, maar een Ranger verzekerde ons dat de natives weten waar ze mee bezig zijn. Het kampeerterrein van Cooinda was onze eerste overnachtingsplek. Een barbecue en een gratis uitleg over het Southern Cross later, was het tijd om te slapen. Ik wurmde mij nog liever in onze dwergauto dan te moeten maffen op een tentzeil, dus zo geschiedde. Het was niet minder verschrikkelijk, maarja! Ik kon er toch de onmogelijk heldere sterrenhemel bekijken en nadenken over hoe tof het wel geweest zou zijn als mijn lieve vriendin erbij was... Het Southern Cross is trouwens het equivalent van de Poolster bij ons: voor wie weet hoe het werkt, wijst de figuur die de 6 sterren vormen, het zuiden aan.

Volledig barak van het slapen in een auto die eigenlijk voor kleine Chinezen of westerse kleuters bestemd is, kroop ik zelf achter het stuur voor een rondje rijden langs het kleine gehucht Pine Creek (nog eens 250 km) en het kampeerterreintje naast Wangi Falls in het Litchfield-park (evenwaardige afstand). Wangi Falls was omfg! Twee watervallen naast elkaar die van een steile rotswand naar beneden donderen, in een meertje waar we konden zwemmen in alle zaligheid. En een poel warm water op een paar meter hoog vlak langs het watergeweld. Alleen voor wie er naartoe klom weliswaar. Aangezien ik al sinds 2 mei met een langdurig once-in-a-lifetime-gevoel zit, moest ik dus in die poel zitten, al was het maar om te voelen hoe warm het water was... Het ontdekte herontdekken! 's Nachts opnieuw in de schoendoos liggen, opnieuw naar de sterrenhemel kijken, en opnieuw denken dat dit moois nog maar eens iets was om te delen met mijn vriendin.

Terug in Darwin, kon ik welgeteld een paar uur relaxen en inkopen doen vooraleer het tijd was om te maffen. Uitgerust rijden, ahja! Ik sommeerde mijn reisgezellen naar Winnellie, een dorpje buiten Darwin waar de op te pikken auto stond. Bleek dat een big ass mobilhome te zijn met vier gasvuren, pompbak, toilet, douche, bedden, tv, microgolf, keukengerief en véél opbergruimte te zijn! Owyeah! Cruising the Outback like a boss...

Aboriginals bleken ons onderweg niet met speren achterna te rennen. Ze doen in de weinige dorpjes langs de enige geasfalteerde weg in een gebied groter dan Frankrijk dan ook niet veel anders dan rondhangen, zoals ze doen in Darwin, en zoals later zou blijken dat ze doen in Alice Springs. Ze mogen ook amper nog alcohol kopen en dat schijnt de problemen wel serieus uitgevlakt te hebben. In de drankwinkels, die overal in Australië afgescheiden zijn van de supermarkt en waar iedereen zich moet identificeren én waar altijd security aanwezig is, zijn er zelden Aboriginals te vinden. Omdat ze op de banned drinker register staan, blijkbaar. Toch stond er nog één met de winkelkar te wachten tot de winkel open ging... Maar ze leven helemaal niet samen met de blanken, integendeel. Beide groepen willen zo weinig mogelijk met elkaar te maken hebben. Een gezonde situatie is het niet, maar het is een héél complex probleem met de geschiedenis in het achterhoofd... Nog steeds een zwarte vlek op hun land, aldus de Australische roommate.

De Outback is iets raars. Enerzijds angstaanjagend, anderzijds rustgevend. Enerzijds spannend, anderzijds oersaai. Enerzijds gevaarlijk, anderzijds gezellig. In gigantische gebieden is er niks te bespeuren, maar dan staat er ineens een brievenbus langs de weg, met een dirt road die nergens naartoe lijkt te leiden. Of dan staat er een koe langs de weg wat dom te kijken. Of rent er een dingo de highway over. Of een kangoeroe die op het laatste moment beslist over te steken. Of er staat ineens een bordje met "next service 187 km" en kon ik beginnen rekenen of we met de benzine gingen toekomen. Of dan staat er een huis, nog een huis, een tankstation, en dan niks meer tot minstens aan de horizon. Of opeens worden we tegengehouden voor een alcoholcontrole, in een gebied waar in geen half uur een levende ziel te bespeuren was. Of dan is er ineens Devil's Marbles: een op gigantische knikkers lijkende rotsformatie waarvan iemand alleen maar kan denken "wie heeft dat hier in godsnaam gelegd?". En dan is er ineens, na 1500 km Outback in totaal, het geïsoleerde Alice Springs, het tweede grootste stadje van het Northern Territory met zo'n 20 à 25000 inwoners.

En dan is er de heer handelsingenieur Bert Gijsen. De arme jongen moest een dag alleen rondhangen in het met Aboriginals gevulde stadje. Ik had graag eerder Alice Springs bereikt, maar a) een auto die maar 110 km/u kon in plaats van de toegelaten en ingeplande 130, b) pas vier uur later mogen vertrekken in Darwin met ons kick ass huis op wielen en c) de duisternis die al om 7u 's avonds volop heerste terwijl er wild van overal de weg over probeert te steken en we niet verzekerd waren na zonsonergang, deden ons de das om. Alice Springs stelde voor de rest niet zoveel voor, dus toen we eenmaal onze auto oppikten bij een louche man in een louche winkel, vertrokken we naar Uluru, Kata Tjuta en Kings Canyon. We waren Alice Springs echter nog niet uit, of er sprong ineens een Aboriginalvrouw (Aboriginese?) voor de auto terwijl we aan het rode licht stonden te wachten. Schuiven wou ze niet, ondanks druk gebaren en toeteren, en uitstappen was ook geen optie, want er stonden nog een tiental anderen langs de kant te hangen. Gelukkig dook er ineens een securitypersoon op en schoof het mens door zijn toedoen opzij.

(Noot: het is pas sinds de jaren 60 dat Aboriginals als mensen worden beschouwd; tot dan werden ze geteld als vee, aldus de Australische roommate.)
(Noot 2: ook deze auto was ongeveer zo groot als een luxueuze éénpersoonszetel.)

Op een boogscheut van Alice Springs, net geen 500 km verder, kwamen we in de Ayers Rock Campground aan met onze ketel. De volgende blog zal dan ook gaan over het beleven van Uluru, Kata Tjuta, Kings Canyon, maar ook over de trip door het hilarische mijndorpje Coober Pedy en enkele dagen Adelaide, de koude Zuid-Australische stad waar we ons intussen bevinden.

Cheers!













woensdag 6 juni 2012

What a Great Barrier Reef, and more!

Cairns! De backpackersstad bij uitstek. Zowat elke backpacker begint of eindigt hier. Het is dan ook een stad waar alle talen door elkaar hoorbaar zijn en waar bijna alles is afgestemd op de backpackers. Cairns is een zeer ontspannen stadje, dat zich uitstrekt over een 70-tal kilometer (volgens een gids) in een lange smalle strook, langs de Great Dividing Range bergketen die heel de oostkust scheidt van de outback. Het is er ook iets goedkoper dan elders, maar jammer genoeg niet veel.

Ik hoopte op beter weer na de bezoeken aan Fraser Island en The Whitsundays, maar dat mocht ik de eerste dag op mijn buik schrijven. Regen, regen en nog eens regen terwijl de temperatuur zeer aangenaam was. Maar niet getreurd, want daarna herpakte Cairns zich serieus en waren er amper nog wolken te bespeuren voor de rest van mijn verblijf. Right'o! To the lagoon! Het enige dat de stad echt mist, is een strand. Cairns ligt naast een baai met een enorme "tidal zone": bij eb is er een droogliggende zone van een paar honderd meter, terwijl bij vloed het water tot tegen de esplanade komt. Maar opnieuw niet getreurd, want ze hebben hier gewoon een hele relaxzone gebouwd met waterpark, graspleintjes, zandstrandjes en alles erop en eraan. De aandachtige lezer zal opmerken dat de Aussies dit ook al in Brisbane hebben gedaan en inderdaad, ze weten van aanpakken. Perfecte compensatie voor het gebrek aan een strand, inderdaad. Net buiten de stad is er wel een echt strand, Yorkeys Knob genaamd. Dat is een ideale plaats om te kitesurfen, want er staat altijd veel wind. Anyway, aan de lagoon liggen was zalig. Cairns staat voor ontspannen en dat is precies wat ik heb gedaan na een goed gevuld parcours langs de hele oostkust te hebben afgelegd. Grappig trouwens hoe ik sommige mensen meermaals tegengekomen ben onderweg.

Maar, wie Cairns zegt, zegt ook Great Barrier Reef, zegt ook Daintree, zegt ook rafting en zegt ook skydiving. Ik heb alleen de eerste twee activiteiten gedaan omdat de laatste twee activiteiten ook elders in de wereld kunnen. Eerst bezocht ik het Great Barrier Reef, waar we op twee plaatsen de kans kregen om te snorkelen en waar we een eerste duikintroductie konden krijgen. Ik kan niet anders dan zeggen dat het magisch was om doorheen kristalhelder water de zonnestralen op het kleurrijke rif te zien schijnen. Alle mogelijke kleuren komen er aan te pas, zowel wat het koraal als de vissen betreft. Kleurrijke vissen alom, en bij Broken Patches heb ik zelfs twee zoutwaterschildpadden van ongeveer een halve meter diameter gevonden en gevolgd voor een twintigtal minuten. Gebeurt ook niet dagelijks... Ook de eerste keer duiken was speciaal. Duiken geeft de mogelijkheid om het rif van de zijkant te bekijken, waar andere vissen zwemmen en waar een ander soort koraal voorkomt. Het ging supervlot, ondanks pijn aan mijn oren ben ik toch 8,6 meter diep geweest volgens mijn apparatuur. Drie Canadezen in dezelfde duikgroep van vier personen hadden ook een onderwatercamera bij waarmee ze wat foto's namen. Ik vroeg of ze het erg vonden om er een paar van mij te nemen en door te mailen. Ze beloofden ze door te mailen zodra ze zelf konden, dus hopelijk komt het ervan. Ook een professionele fotograaf was erbij en ik heb dan ook wat foto's van hem gekocht op een cd, vooraleer we terug aan wal gingen.

De dag erna was het opnieuw een kwestie van vroeg opstaan om naar het Daintree regenwoud en Cape Tribulation te toeren. Onze gids had een verschrikkelijke stem, totaal gebroken, ondanks dat ik hem ergens in de 30 schatte. Ik verdenk hem van een zware rookverslaving, want hij moest constant iets in zijn handen hebben om mee te friemelen. Maar goed, hij wist waarover hij het had en hij was enthousiast en vlot, dus no worries! Hij vertelde een paar lachwekkende verhalen van domme toeristen, maar we leerden ook dat het Daintree regenwoud veruit het oudste ter wereld is: zo'n 140 miljoen jaar. Ter vergelijking: het Amazonewoud wordt op 7,5 miljoen jaar geschat. Ook leerden we dat de naam "regenwoud" niks te maken heeft met de hoeveelheid regen die er valt, maar meer met de hoeveelheid zonneschijn die door het gebladerte tot op de bodem geraakt. Daintree kent enorm veel biodiversiteit, een paar honderd keer meer dan in heel Europa, en is daarom enorm belangrijk voor de natuur. Twee van de diersoorten die essentieel zijn, zijn krokodillen en cassowaries. Tijdens een boottochtje kregen we de kans om wilde krokodillen te spotten en dat lukte! Opnieuw een les natuur: krokodillen hebben genoeg aan 150 calorieën per dag, omdat ze hun lichaamsfuncties nagenoeg kunnen uitschakelen op commando. Daarom eten ze gemiddeld maar een keer per week. Ze regelen hun lichaamstemperatuur door in het water te drijven of op het land te liggen. Ze jagen niet op voedsel, maar ze lokken het in een hinderlaag door geruisloos in het water te liggen en toe te slaan (lees: iemands arm in stukken rijten) wanneer de prooi te dicht komt. Ze kunnen amper rennen op land omdat ze korte poten hebben en omdat ze veel wegen (zoals de gemiddelde Amerikaan zeker?), dus daar hebben mensen niet zoveel last van hen. Iemand die in het water zwemt, heeft echter geen schijn van kans. Ook cassowaries zijn enorm belangrijk voor het regenwoud omdat ze zowat alle soorten fruit opeten en elders de zaadjes uitkakken. Cassowaries zijn rare beesten (ongetwijfeld helpt Google de geïnteresseerde lezer vooruit) en ze zijn agressief ten opzichte van mensen. Ze hebben aan elke poot een klauw waarmee ze autodeuren kunnen kapotrijten, dus iemands borstkas is piece of cake...

Na deze twee uitstappen heb ik gewoon zitten relaxen in de stad. Bruintijd! Mijn verjaardag moest echter nog gevierd worden, dus ben ik met twee toffe kerels uit Wales en Schotland die ik intussen leerde kennen, 's nachts gaan rondhangen en een aantal uitgaansfaciliteiten gaan inspecteren. Voor wie ooit in Cairns belandt: ga naar Gilligan's, The Woolshed, PJ O'Briens en Society! Big fun! Maar onze goon (goedkope wijn in karton) vooraf was echt wel waar-de-loze goon. Slecht! Menneke! Duc smaakt hemels in vergelijking met die goon. Mengen met Mother, een energiedrank, bleek zinloos. Maar ja, 11 dollar voor 4 liter wijn... Vooral de Welshman was lachen: hij vloekte meer dan ik ooit gehoord heb, op alles, zelfs de goonbox en de geldautomaat moesten eraan geloven. Hij had ook massa's geld verdiend door in West-Australië in de mijnindustrie te werken als mechanicien. En wat ik al gehoord heb, klopt: in de Australische mijnindustrie zijn jaarlonen van 150.000 tot 250.000 Aussie dollars geen uitzondering (x0,8 in euro), zelfs als kok of mecanicien... Het is keihard werken en afzien in the remote middle of nowhere, maar het is ook mooi verdiend. Veel Australiërs gaan daar een jaar werken om hun huis te financieren bijvoorbeeld. En de Schotse kerel vertelde dan weer dat hij tijdens zijn eerste week in Australië op een ochtend ontdekte dat hij tijdens het zuipen een vlucht naar Thailand geboekt had voor die dag. Hij is dan ook voor een paar weken naar Thailand gegaan, hoe impulsief is dat!

Met de Welshman ben ik de laatste dag nog Barron Gorge gaan bezoeken, een mooie kloof die ik zonder auto nooit te zien zou krijgen. Makes me regret not having bought a car here...

Om af te sluiten opnieuw een aantal dingen die mij terloops opgevallen zijn:
- Verkeersborden staan heel erg vaak in tekst, in plaats van in een pictogram of symbool ofzo. "U turn only permitted on green arrow" is bijvoorbeeld een verkeersbord.
- In Australië zijn er best veel publieke toiletten en de meesten zijn goed onderhouden dankzij nachtelijke kuisdienst.
- Europees voetbal kijken in het midden van de nacht is best wel vreemd.

Tot daar de fabelachtige Australische oostkust! Vaarwel? Intussen ben ik in Darwin, the gateway to the big nothing. Met het vliegtuig, want no way dat ik 3000 kilometer en meer dan 33 uur in de bus ga zitten. Australia's a bloody big place, it is indeed. Op 17 juni kan ik met een goedkope autohuurdeal naar Alice Springs beginnen rijden. Aan de linkerkant van de weg, door het grote niets, altijd maar rechtdoor en met een paar jerrycans water en benzine. Veruit het spannendste tot nu toe en ik hoop op een vlotte tocht... Maar eerst Darwin verkennen, dat helemaal onverwacht een stadscentrum blijkt te hebben ter grootte van dat van Lanaken ongeveer!

Cheers!

vrijdag 1 juni 2012

74 eilanden: The Whitsundays

Zoals beloofd, een stukje over Airlie Beach, het uitvalsdorpje naar de Whitsundays, en de zeiltrip naar, rond en tussen de eilanden zelf. In den beginne waren de eilanden deel van het Australische vasteland, tot het einde van de ijstijd er anders over besliste en de bergketen overstroomde. Resultaat: 74 bergtoppen die nu van elkaar gescheiden zijn door de zee, de ruwe zee.

Zo duf als een oud gordijn kwam iedereen 's morgens uit de bus na een nachtje scheuren over de Australische eenvaksautostrades. Een nacht accomodatie gespaard, jeuj, maar slapen in de bus blijft toch nog een huzarenstukje. Hoe dan ook, alle tijd van de wereld om ergens te liggen niksen op het strand en bij te komen van het, euh, niksen op de bus. Yeah, sitting in the bloody coach is bloody exhausting, mate! Toen besefte ik dat ik mijn camera had achtergelaten in de bus. Gelukkig raakte dat na een paar telefoontjes en een extreem opgenaaide twee uur tijd in orde. Ik kon hem na de trip onderweg naar Cairns ophalen in de Greyhound terminal in Townsville. Wat een opluchting! In Airlie Beach zelf viel er eigenlijk amper iets te beleven. Gelukkig, want ik was niet van plan om met mijne lege kop ook maar iéts uit te richten. Heel het dorp leeft van toeristen die allemaal ooit tijdens hun verblijf naar de haven zullen gaan en er op een boot springen. De haven is dan ook een heel mooie haven, gebouwd in functie van het tij, drijvend dus.

Heb ik trouwens al iets gezegd over de typische Australische huizen? Het typische Australische huis is niet zo heel groot, meestal vierkant, en gebouwd met hout. Vooral in de tropische gebieden, waar in de zomer nog al eens een rivier zich durft te laten gelden, bouwen ze het huis gewoon op een gelijkvloers waar niks is en waar hoogstens een auto staat of de was ophangt. Hun huis begint dus eigenlijk op het eerste verdiep, en onze kelder is hun gelijkvloers. Het voordeel daarvan is tweeledig: een redelijke overstroming zal hun heel huis niet onder water zetten en aangezien de lucht langs alle kanten rond het huis kan, wordt het binnen sterk afgekoeld. Natural fucking airco, mate! Ja, nog iets typisch: Australiërs vloeken massaal. Maar ik heb geleerd dat het f-woord hier gewoon een woord is dat evenzeer gebruikt kan worden om een bewering kracht bij te zetten of gewoon om een dynamische brug te slaan tussen twee andere woorden, of gewoon om verontwaardiging te uiten. No worries dus als een Aussie klaagt om een fucking expensive shit fucking water bottle. Dat is wel even wennen, maar het is een gebruik als een ander. Geen mens neemt nog aanstoot aan het f-woord.

Maar goed, terug naar Airlie Beach. Eerste opdracht: het bevestigen van mijn aanwezigheid bij de toer en het tekenen van een enorme waiver. Dat is een document waarin ge eigenlijk moet handtekenen dat het bedrijf of de scheepscrew niet verantwoordelijk is als ge het nodig vindt om uzelf van een klif te gooien enzo. Eigenlijk wordt alle aansprakelijkheid afgewezen als gij uw fleske water laat vallen, ge uw enkel breekt bij het oprapen en ge van het eiland afrolt om in de zee tegen hard koraal te knallen waardoor ge begint te bloeden en zo haaien naar u toe lokt die u uiteindelijk opvreten. Zo Angelsaksisch! Anyway, daarna was het tijd om te winkelen voor drank en snacks op de boot. Al ons eten zou daar klaar gemaakt worden, maar sommige mensen eten nu eenmaal heel de dag door...
's Morgens vroeg, want scheepslui doen alles vroeg, werden we verwacht aan de haven. Onze boot, de Avatar, een snelle trimaran, lag ergens onzichtbaar achterin in de haven. Het was bewolkt en de zee was zich serieus aan het aanstellen want zowat iedereen stond op het randje om hun pas genuttigd ontbijt door te geven aan de vissen. Humoristisch als hij was, gaf de kapitein pas na de eerste strook ruige zee mee wat we konden doen aan het feit dat we ons voelden alsof we net een brouwerij hadden leeggedronken: koel houden, buiten zitten en naar één punt staren. Rond de eilanden zelf was de zee prachtig, want de wind werd daar door het eiland afgeblokt. Snorkelen! Het was de eerste keer dat ik ooit door zo'n buis ademde terwijl ik naar kleurrijk koraal zocht, maar het is verdomme wennen. Het is belangrijk om heel bewust te zijn van de eigen ademhaling en om absoluut niet door de neus te ademen. Toen ik dat eenmaal gewend was, bleek er amper koraal te zien. Jammer, ondanks dat de kapitein het had gezegd. Het was meer als oefening omdat we op de enige plaats waren waar het op dat moment enigszins mogelijk was om te snorkelen door het ruwe weer. De tweede keer snorkelen was ongelooflijk. Het tij was perfect en dus zwommen we een dikke meter boven het kleurrijke koraal. Alle soorten en kleuren, hard koraal, zacht koraal, kleurige vissen, noem maar op. Koraal is trouwens blijkbaar altijd wit: de kleur komt van de bacteriën die zich er aan hechten. Dat was meteen genoeg voor één dag. Tussendoor konden we ook nog een paar wilde schildpadden en dolfijnen spotten en onze chef lokte zowaar een adelaar in duikvlucht naar de boot om wat vlees dat hij omhooggooide uit de lucht te vangen. Machtig! Het moment was nu gekomen waarop iedereen zich te pletter mocht eten aan een belachelijk lekkere spaghetti van diezelfde chef! Die chef deed ook deeltijds andere dingen in de driekoppige crew dan koken natuurlijk. Verklaring waarom iedereen zoveel at: een hele dag balanceren op een zeilboot en daarbovenop nog eens zwemmen, is blijkbaar een full body workout. Heeft niet eens met zee, zout of wind te maken. Welkom, pasta! Daarna was zowat iedereen pompaf.

Op dag twee was het tijd voor het absolute pareltje van de eilandengroep: Whitehaven Beach. Toeristen die maar één dag zeilen, gaan rechtstreeks naar daar en terug. Whitehaven Beach is geen gewoon strand. Het is het witste strand ter wereld. Het witte zand van Fraser Island stelde werkelijk niets voor tegenover Whitehaven Beach. Hoe dit komt? Op WB ligt geen zand, maar silica. 98 procent puur, en nergens anders ter wereld komt dit voor. Het is dus eigenlijk niet eens een zandstrand. Op WB lopen, voelt een beetje aan als op sneeuw lopen en zo ziet het er ook uit. Het is jammer dat het bewolkt was toen wij er waren, want daardoor kreeg het zand op de foto's een wat grijze tint, maar het was echt wel hélwit! De geïnteresseerde kan altijd op Google zoeken naar zonnige foto's en zelf oordelen :-) De rest van de dag werd gevuld met een tochtje naar een rots waar nog een paar Aboriginal grottekeningen te vinden waren. Niet zo veel speciaal, vond ik, omdat er niet zoveel meer overbleef, maar het was wel de eerste grottekening die ik zag. Eenmaal terug op de boot, stond het eten alweer klaar. Opnieuw was iedereen zo hongerig als een bende langdurig daklozen, want als rule number one van onze macho kapitein niet "ladies first" was, waren er gegarandeerd rellen uitgebroken op onze trimaran.

De derde dag moesten we om 9.30u pm al terug aangemeerd zijn. Gevolg: een zeemansochtend die oneindig veel te vroeg begon en een avond die zich halfweg de dag al inzette. Veel meer dan een paar foto's overzetten, heb ik niet meer gedaan tot het tijd was om met de groep nog een laatste keer af te spreken aan de tafel die als deel van de uitstap voor ons gereserveerd was in zo'n typische tent die eigenlijk een café  is met uitgebreide eetgelegenheid. En we kregen er een kleine drie dollar korting, én een gratis jug (karaf) bier per 3 personen. De moeite dus!

Na het afscheid van sommigen en het wegvluchten door anderen, was het slaaptijd, want 's ochtends stond de bus alweer klaar voor opnieuw 11u reizen naar Cairns. Cairns is dé backpackersstad bij uitstek. In Cairns komt elke backpacker aan de Oostkust terecht: is het niet als vertrekpunt, dan is het als eindpunt. Het is nu al een tijdje slecht weer, qua zon dan, want qua temperatuur is het ongeveer zoals bij ons op een gewone zomerdag, dus ik hoop dat Cairns beterschap brengt. Mezelf bezighouden op de bus lukt redelijk; onder andere door dit te schrijven, door mijn hele fotocollectie op orde te brengen en te backuppen, en door muziek te luisteren. Deze rit was trouwens mijn eerste ervaring met de gigantische vlakten die Australië kent, want nu was ik meestal wakker. Nog even door het raam kijken naar het Grote Groene Niets, en dan sta ik ergens in Cairns. Mijn gsm was vroeger dan voorzien plat, dus heb nog geen verblijf kunnen regelen voor vannacht. Maar als dit online staat, wil het zeggen dat ik een bed (en stroom) heb gevonden!

Cheers again mates!