- "Hi, can I get some quotes on rental cars for the Outback, please?"
° "Oh, mate, I wouldn't advise on doing that"
- "Why not, Darwin to Adelaide is a very common backpacker route"
° "No mate, it's remote. Remote! And abo's everywhere!"
- "Actually I have never heard of Aboriginals causing trouble alongside the Stuart Highway"
° "I'm telling you, you will need three things to travel the Outback. Plenty of water, plenty of fuel, and a gun. Do you have a gun?"
- "Even if I had one, I wouldn't try to bring it into Australia"
° "Well, just remember that those abo's are wild, savage and they will chase you. They will spear you! And you may as well never be found again..."
In Cairns hadden ze bij een autoverhuurbedrijf niet echt een hoge pet op van de oorspronkelijke Australische inwoners, de Aboriginals. Maar goed, ik moest en zou toch van Darwin tot in Alice Springs geraken :-)
In Darwin valt niet veel te beleven. Toch waren de hostels ei zo na volgeboekt toen ik er aan kwam: pas bij het vierde telefoontje kon ik een bed krijgen, het laatste van dat hostel. De ochtend daarna moest ik vroeg rondbellen en kon ik een kamer krijgen voor een paar nachten in het YHA. Het slechtste YHA tot nu toe, maar soit. Op dag 1 verkende ik de stad en had ik het merendeel gezien. Oorlogsmonumentjes, rondhangende Aboriginals, hostels en een gezellige waterfront zoals in Cairns en Brisbane, maar dan kleiner en in de haven ingebed - vuiler water dus. Maar omwille van de dagelijkse heldere hemel onder 30 graden, was er genoeg volk aanwezig. In de andere helft van het jaar, is het ook 30 graden, maar regent het volle bak en kennen ze er overstromingen, cyclonen en een heel hoge vochtigheidsgraad. Nu is het er dus de tijd van het jaar...
Dankzij een autoverhuurbedrijf kon ik gemakkelijk aan een relocation deal geraken. Dat is een deal waarbij een autoverhuurbedrijf een auto in een andere stad moet hebben, en om te vermijden dat ze daarvoor een chauffeur moeten betalen, verhuren ze die auto aan backpackers aan een relatief goedkope prijs - als ze op tijd aankomen met een auto die niet pertotal is. Reisgezellen om de kosten te delen, waren dan ook snel gevonden. Maar eerst: The Top End!
Met een Amerikaanse roommate en een Italiaan, vertrok ik al snel naar Kakadu National Park en Litchfield, de twee parels van het noorden van het Noordelijk Territorium. Goedkoop een auto huren, dachten we, maar uiteindelijk kon ons budget alleen een dwergauto aan. Kakadu was wel magisch. Een heel ruig gebied van zo'n 20000 km² als ik het goed heb - hoe groot was België ook weer? Bonkige rotsen, regenwoud, rotstekeningen, kliffen, moerasland... Het is moeilijk te beschrijven. Na zo'n 250 km rechtdoor rijden door absoluut niks, behalve een kantoortje waar we toegangskaarten moesten kopen, kwamen we in het eerste dorpje aan: Jabiru. Er woont een handvol mensen, iemand baat een tankstation uit, er staat een gsm-mast en voor de rest leeft iedereen van de nabije uraniummijn. Na Jabiru was het nog maar een korte rit van een half uur naar Ubirr, waar een prachtig uitzicht over een klein deel van het natuurlandschap klaar lag. Onderweg konden we niet naast de kleine aangestoken bosbrandjes kijken. Geen nood, Aboriginals die daar (mogen) wonen, doen dit al duizenden jaren om het land te onderhouden en ze mogen dit. Riskant wel, zo vonden wij, maar een Ranger verzekerde ons dat de natives weten waar ze mee bezig zijn. Het kampeerterrein van Cooinda was onze eerste overnachtingsplek. Een barbecue en een gratis uitleg over het Southern Cross later, was het tijd om te slapen. Ik wurmde mij nog liever in onze dwergauto dan te moeten maffen op een tentzeil, dus zo geschiedde. Het was niet minder verschrikkelijk, maarja! Ik kon er toch de onmogelijk heldere sterrenhemel bekijken en nadenken over hoe tof het wel geweest zou zijn als mijn lieve vriendin erbij was... Het Southern Cross is trouwens het equivalent van de Poolster bij ons: voor wie weet hoe het werkt, wijst de figuur die de 6 sterren vormen, het zuiden aan.
Volledig barak van het slapen in een auto die eigenlijk voor kleine Chinezen of westerse kleuters bestemd is, kroop ik zelf achter het stuur voor een rondje rijden langs het kleine gehucht Pine Creek (nog eens 250 km) en het kampeerterreintje naast Wangi Falls in het Litchfield-park (evenwaardige afstand). Wangi Falls was omfg! Twee watervallen naast elkaar die van een steile rotswand naar beneden donderen, in een meertje waar we konden zwemmen in alle zaligheid. En een poel warm water op een paar meter hoog vlak langs het watergeweld. Alleen voor wie er naartoe klom weliswaar. Aangezien ik al sinds 2 mei met een langdurig once-in-a-lifetime-gevoel zit, moest ik dus in die poel zitten, al was het maar om te voelen hoe warm het water was... Het ontdekte herontdekken! 's Nachts opnieuw in de schoendoos liggen, opnieuw naar de sterrenhemel kijken, en opnieuw denken dat dit moois nog maar eens iets was om te delen met mijn vriendin.
Terug in Darwin, kon ik welgeteld een paar uur relaxen en inkopen doen vooraleer het tijd was om te maffen. Uitgerust rijden, ahja! Ik sommeerde mijn reisgezellen naar Winnellie, een dorpje buiten Darwin waar de op te pikken auto stond. Bleek dat een big ass mobilhome te zijn met vier gasvuren, pompbak, toilet, douche, bedden, tv, microgolf, keukengerief en véél opbergruimte te zijn! Owyeah! Cruising the Outback like a boss...
Aboriginals bleken ons onderweg niet met speren achterna te rennen. Ze doen in de weinige dorpjes langs de enige geasfalteerde weg in een gebied groter dan Frankrijk dan ook niet veel anders dan rondhangen, zoals ze doen in Darwin, en zoals later zou blijken dat ze doen in Alice Springs. Ze mogen ook amper nog alcohol kopen en dat schijnt de problemen wel serieus uitgevlakt te hebben. In de drankwinkels, die overal in Australië afgescheiden zijn van de supermarkt en waar iedereen zich moet identificeren én waar altijd security aanwezig is, zijn er zelden Aboriginals te vinden. Omdat ze op de banned drinker register staan, blijkbaar. Toch stond er nog één met de winkelkar te wachten tot de winkel open ging... Maar ze leven helemaal niet samen met de blanken, integendeel. Beide groepen willen zo weinig mogelijk met elkaar te maken hebben. Een gezonde situatie is het niet, maar het is een héél complex probleem met de geschiedenis in het achterhoofd... Nog steeds een zwarte vlek op hun land, aldus de Australische roommate.
De Outback is iets raars. Enerzijds angstaanjagend, anderzijds rustgevend. Enerzijds spannend, anderzijds oersaai. Enerzijds gevaarlijk, anderzijds gezellig. In gigantische gebieden is er niks te bespeuren, maar dan staat er ineens een brievenbus langs de weg, met een dirt road die nergens naartoe lijkt te leiden. Of dan staat er een koe langs de weg wat dom te kijken. Of rent er een dingo de highway over. Of een kangoeroe die op het laatste moment beslist over te steken. Of er staat ineens een bordje met "next service 187 km" en kon ik beginnen rekenen of we met de benzine gingen toekomen. Of dan staat er een huis, nog een huis, een tankstation, en dan niks meer tot minstens aan de horizon. Of opeens worden we tegengehouden voor een alcoholcontrole, in een gebied waar in geen half uur een levende ziel te bespeuren was. Of dan is er ineens Devil's Marbles: een op gigantische knikkers lijkende rotsformatie waarvan iemand alleen maar kan denken "wie heeft dat hier in godsnaam gelegd?". En dan is er ineens, na 1500 km Outback in totaal, het geïsoleerde Alice Springs, het tweede grootste stadje van het Northern Territory met zo'n 20 à 25000 inwoners.
En dan is er de heer handelsingenieur Bert Gijsen. De arme jongen moest een dag alleen rondhangen in het met Aboriginals gevulde stadje. Ik had graag eerder Alice Springs bereikt, maar a) een auto die maar 110 km/u kon in plaats van de toegelaten en ingeplande 130, b) pas vier uur later mogen vertrekken in Darwin met ons kick ass huis op wielen en c) de duisternis die al om 7u 's avonds volop heerste terwijl er wild van overal de weg over probeert te steken en we niet verzekerd waren na zonsonergang, deden ons de das om. Alice Springs stelde voor de rest niet zoveel voor, dus toen we eenmaal onze auto oppikten bij een louche man in een louche winkel, vertrokken we naar Uluru, Kata Tjuta en Kings Canyon. We waren Alice Springs echter nog niet uit, of er sprong ineens een Aboriginalvrouw (Aboriginese?) voor de auto terwijl we aan het rode licht stonden te wachten. Schuiven wou ze niet, ondanks druk gebaren en toeteren, en uitstappen was ook geen optie, want er stonden nog een tiental anderen langs de kant te hangen. Gelukkig dook er ineens een securitypersoon op en schoof het mens door zijn toedoen opzij.
(Noot: het is pas sinds de jaren 60 dat Aboriginals als mensen worden beschouwd; tot dan werden ze geteld als vee, aldus de Australische roommate.)
(Noot 2: ook deze auto was ongeveer zo groot als een luxueuze éénpersoonszetel.)
Op een boogscheut van Alice Springs, net geen 500 km verder, kwamen we in de Ayers Rock Campground aan met onze ketel. De volgende blog zal dan ook gaan over het beleven van Uluru, Kata Tjuta, Kings Canyon, maar ook over de trip door het hilarische mijndorpje Coober Pedy en enkele dagen Adelaide, de koude Zuid-Australische stad waar we ons intussen bevinden.
Cheers!






° "Oh, mate, I wouldn't advise on doing that"
- "Why not, Darwin to Adelaide is a very common backpacker route"
° "No mate, it's remote. Remote! And abo's everywhere!"
- "Actually I have never heard of Aboriginals causing trouble alongside the Stuart Highway"
° "I'm telling you, you will need three things to travel the Outback. Plenty of water, plenty of fuel, and a gun. Do you have a gun?"
- "Even if I had one, I wouldn't try to bring it into Australia"
° "Well, just remember that those abo's are wild, savage and they will chase you. They will spear you! And you may as well never be found again..."
In Cairns hadden ze bij een autoverhuurbedrijf niet echt een hoge pet op van de oorspronkelijke Australische inwoners, de Aboriginals. Maar goed, ik moest en zou toch van Darwin tot in Alice Springs geraken :-)
In Darwin valt niet veel te beleven. Toch waren de hostels ei zo na volgeboekt toen ik er aan kwam: pas bij het vierde telefoontje kon ik een bed krijgen, het laatste van dat hostel. De ochtend daarna moest ik vroeg rondbellen en kon ik een kamer krijgen voor een paar nachten in het YHA. Het slechtste YHA tot nu toe, maar soit. Op dag 1 verkende ik de stad en had ik het merendeel gezien. Oorlogsmonumentjes, rondhangende Aboriginals, hostels en een gezellige waterfront zoals in Cairns en Brisbane, maar dan kleiner en in de haven ingebed - vuiler water dus. Maar omwille van de dagelijkse heldere hemel onder 30 graden, was er genoeg volk aanwezig. In de andere helft van het jaar, is het ook 30 graden, maar regent het volle bak en kennen ze er overstromingen, cyclonen en een heel hoge vochtigheidsgraad. Nu is het er dus de tijd van het jaar...
Dankzij een autoverhuurbedrijf kon ik gemakkelijk aan een relocation deal geraken. Dat is een deal waarbij een autoverhuurbedrijf een auto in een andere stad moet hebben, en om te vermijden dat ze daarvoor een chauffeur moeten betalen, verhuren ze die auto aan backpackers aan een relatief goedkope prijs - als ze op tijd aankomen met een auto die niet pertotal is. Reisgezellen om de kosten te delen, waren dan ook snel gevonden. Maar eerst: The Top End!
Met een Amerikaanse roommate en een Italiaan, vertrok ik al snel naar Kakadu National Park en Litchfield, de twee parels van het noorden van het Noordelijk Territorium. Goedkoop een auto huren, dachten we, maar uiteindelijk kon ons budget alleen een dwergauto aan. Kakadu was wel magisch. Een heel ruig gebied van zo'n 20000 km² als ik het goed heb - hoe groot was België ook weer? Bonkige rotsen, regenwoud, rotstekeningen, kliffen, moerasland... Het is moeilijk te beschrijven. Na zo'n 250 km rechtdoor rijden door absoluut niks, behalve een kantoortje waar we toegangskaarten moesten kopen, kwamen we in het eerste dorpje aan: Jabiru. Er woont een handvol mensen, iemand baat een tankstation uit, er staat een gsm-mast en voor de rest leeft iedereen van de nabije uraniummijn. Na Jabiru was het nog maar een korte rit van een half uur naar Ubirr, waar een prachtig uitzicht over een klein deel van het natuurlandschap klaar lag. Onderweg konden we niet naast de kleine aangestoken bosbrandjes kijken. Geen nood, Aboriginals die daar (mogen) wonen, doen dit al duizenden jaren om het land te onderhouden en ze mogen dit. Riskant wel, zo vonden wij, maar een Ranger verzekerde ons dat de natives weten waar ze mee bezig zijn. Het kampeerterrein van Cooinda was onze eerste overnachtingsplek. Een barbecue en een gratis uitleg over het Southern Cross later, was het tijd om te slapen. Ik wurmde mij nog liever in onze dwergauto dan te moeten maffen op een tentzeil, dus zo geschiedde. Het was niet minder verschrikkelijk, maarja! Ik kon er toch de onmogelijk heldere sterrenhemel bekijken en nadenken over hoe tof het wel geweest zou zijn als mijn lieve vriendin erbij was... Het Southern Cross is trouwens het equivalent van de Poolster bij ons: voor wie weet hoe het werkt, wijst de figuur die de 6 sterren vormen, het zuiden aan.
Volledig barak van het slapen in een auto die eigenlijk voor kleine Chinezen of westerse kleuters bestemd is, kroop ik zelf achter het stuur voor een rondje rijden langs het kleine gehucht Pine Creek (nog eens 250 km) en het kampeerterreintje naast Wangi Falls in het Litchfield-park (evenwaardige afstand). Wangi Falls was omfg! Twee watervallen naast elkaar die van een steile rotswand naar beneden donderen, in een meertje waar we konden zwemmen in alle zaligheid. En een poel warm water op een paar meter hoog vlak langs het watergeweld. Alleen voor wie er naartoe klom weliswaar. Aangezien ik al sinds 2 mei met een langdurig once-in-a-lifetime-gevoel zit, moest ik dus in die poel zitten, al was het maar om te voelen hoe warm het water was... Het ontdekte herontdekken! 's Nachts opnieuw in de schoendoos liggen, opnieuw naar de sterrenhemel kijken, en opnieuw denken dat dit moois nog maar eens iets was om te delen met mijn vriendin.
Terug in Darwin, kon ik welgeteld een paar uur relaxen en inkopen doen vooraleer het tijd was om te maffen. Uitgerust rijden, ahja! Ik sommeerde mijn reisgezellen naar Winnellie, een dorpje buiten Darwin waar de op te pikken auto stond. Bleek dat een big ass mobilhome te zijn met vier gasvuren, pompbak, toilet, douche, bedden, tv, microgolf, keukengerief en véél opbergruimte te zijn! Owyeah! Cruising the Outback like a boss...
Aboriginals bleken ons onderweg niet met speren achterna te rennen. Ze doen in de weinige dorpjes langs de enige geasfalteerde weg in een gebied groter dan Frankrijk dan ook niet veel anders dan rondhangen, zoals ze doen in Darwin, en zoals later zou blijken dat ze doen in Alice Springs. Ze mogen ook amper nog alcohol kopen en dat schijnt de problemen wel serieus uitgevlakt te hebben. In de drankwinkels, die overal in Australië afgescheiden zijn van de supermarkt en waar iedereen zich moet identificeren én waar altijd security aanwezig is, zijn er zelden Aboriginals te vinden. Omdat ze op de banned drinker register staan, blijkbaar. Toch stond er nog één met de winkelkar te wachten tot de winkel open ging... Maar ze leven helemaal niet samen met de blanken, integendeel. Beide groepen willen zo weinig mogelijk met elkaar te maken hebben. Een gezonde situatie is het niet, maar het is een héél complex probleem met de geschiedenis in het achterhoofd... Nog steeds een zwarte vlek op hun land, aldus de Australische roommate.
De Outback is iets raars. Enerzijds angstaanjagend, anderzijds rustgevend. Enerzijds spannend, anderzijds oersaai. Enerzijds gevaarlijk, anderzijds gezellig. In gigantische gebieden is er niks te bespeuren, maar dan staat er ineens een brievenbus langs de weg, met een dirt road die nergens naartoe lijkt te leiden. Of dan staat er een koe langs de weg wat dom te kijken. Of rent er een dingo de highway over. Of een kangoeroe die op het laatste moment beslist over te steken. Of er staat ineens een bordje met "next service 187 km" en kon ik beginnen rekenen of we met de benzine gingen toekomen. Of dan staat er een huis, nog een huis, een tankstation, en dan niks meer tot minstens aan de horizon. Of opeens worden we tegengehouden voor een alcoholcontrole, in een gebied waar in geen half uur een levende ziel te bespeuren was. Of dan is er ineens Devil's Marbles: een op gigantische knikkers lijkende rotsformatie waarvan iemand alleen maar kan denken "wie heeft dat hier in godsnaam gelegd?". En dan is er ineens, na 1500 km Outback in totaal, het geïsoleerde Alice Springs, het tweede grootste stadje van het Northern Territory met zo'n 20 à 25000 inwoners.
En dan is er de heer handelsingenieur Bert Gijsen. De arme jongen moest een dag alleen rondhangen in het met Aboriginals gevulde stadje. Ik had graag eerder Alice Springs bereikt, maar a) een auto die maar 110 km/u kon in plaats van de toegelaten en ingeplande 130, b) pas vier uur later mogen vertrekken in Darwin met ons kick ass huis op wielen en c) de duisternis die al om 7u 's avonds volop heerste terwijl er wild van overal de weg over probeert te steken en we niet verzekerd waren na zonsonergang, deden ons de das om. Alice Springs stelde voor de rest niet zoveel voor, dus toen we eenmaal onze auto oppikten bij een louche man in een louche winkel, vertrokken we naar Uluru, Kata Tjuta en Kings Canyon. We waren Alice Springs echter nog niet uit, of er sprong ineens een Aboriginalvrouw (Aboriginese?) voor de auto terwijl we aan het rode licht stonden te wachten. Schuiven wou ze niet, ondanks druk gebaren en toeteren, en uitstappen was ook geen optie, want er stonden nog een tiental anderen langs de kant te hangen. Gelukkig dook er ineens een securitypersoon op en schoof het mens door zijn toedoen opzij.
(Noot: het is pas sinds de jaren 60 dat Aboriginals als mensen worden beschouwd; tot dan werden ze geteld als vee, aldus de Australische roommate.)
(Noot 2: ook deze auto was ongeveer zo groot als een luxueuze éénpersoonszetel.)
Op een boogscheut van Alice Springs, net geen 500 km verder, kwamen we in de Ayers Rock Campground aan met onze ketel. De volgende blog zal dan ook gaan over het beleven van Uluru, Kata Tjuta, Kings Canyon, maar ook over de trip door het hilarische mijndorpje Coober Pedy en enkele dagen Adelaide, de koude Zuid-Australische stad waar we ons intussen bevinden.
Cheers!






Geen opmerkingen:
Een reactie posten